De oude man
zit op een bank
en wat hij ziet
dat zie ik niet,
voorover leunt hij
op zijn stok
en schouwt daarheen:
daar wordt het één.

hij ziet niet om
en onderscheidt
het verre niet
zien is dat niet
en hij staat niet
meer op en gaat
de weg ook niet
hij zit en ziet

hij noodt mij naast
zich op de bank
ik zit naast hem
en hoor zijn stem
die uit een ver
verleden spreekt
zwaar was die tijd
maar er was tijd

ach zegt hij zacht
de tijd van u
die is er niet
tijd is er niet
ik zit en win
de tijd terug
en u met mij
tijd winnen wij

de avond komt
en ik moet gaan
hij glimlacht zacht
hij zegt nog wacht
en uit de schuur
neemt hij een mand
met appels mee
neem die maar mee

hij buigt en groet
en wuift mij na
geeneen die groet
zoals hij doet
als hij wil ik
nog ingaan in
eenvoudigheid
van alle tijd

eens op de bank
ben ik de oud
geworden man
het komt ervan

ik zie wat hij
toen heeft gezien
ik zie de tijd
van alle tijd

voorover op
mijn stok leun ik
de avond komt
ik hoop er komt
nog iemad langs
die zit naast mij
die deelt met mij
de tijd voorbij

(Herman Verbeek)

Terug naar de titelpagina

© A.E.J. Kaal, 2002.