OUDSAKSISCH

Rook stijgt van brandend loof
op uit gerooide velden. Tussen
de ingekuilde bieten, rieten daken
een totempaal scheef bij de waterput.

Hout en handen gekloofd.
Van jaren zand onder de nagels.
De kleren stroef van moeheid, klam
van koeiedampen.
Aarde worden zelf en oud

en in de winter zwaar
aan godsdienst doen met niets
dan voren, zaad en graan
voor ogen.
In opstanding geloven
en hemelvaart.

(C.O. Jellema)

Terug naar de beginpagina

© A.E.J. Kaal, 2001.